Aansprakelijkheidsleer

Aansprakelijkheidsleer

Door de rechtswetenschap ontwikkelde theorie over de rechtsgrond waarop een wettelijke regeling van de aansprakelijkheid voor veroorzaakte schade berust. Algemene voorwaarde voor aansprakelijkheid is dat de schade moet zijn veroorzaakt door de aangesprokene of door een persoon of zaak (w.o. dier) waarvoor deze verantwoordelijk is. De bewijslast hiervan rust op de benadeelde.
Men spreekt van de schuldleer of van schuldaansprakelijkheid indien schuld (verwijtbaarheid) van de schadeveroorzaker als de rechtsgrond voor aansprakelijkheid wordt aangenomen. Bij schuldaansprakelijkheid dient de benadeelde te bewijzen dat de aangesprokene schuld had aan het ontstaan van de schade (Zie bijvoorbeeld art. 6:162 van het Burgerlijk Wetboek: (BW)). Ook als de bewijslast is omgekeerd heeft men te maken met schuldaansprakelijkheid, zodat schuld en daarmee aansprakelijkheid van de aangesprokene, wordt verondersteld, tenzij deze bewijst dat hem geen schuld treft of dat hij alles wat in zijn vermogen was heeft gedaan om het ontstaan van de schade te voorkomen (Zie bijvoorbeeld art. 6:169 lid 2 BW).
Indien als rechtsgrond het door de schadeveroorzaker geschapen risico wordt aangenomen, spreekt men van risicoleer of risicoaansprakelijkheid. In geval van risicoaansprakelijkheid kan de aangesprokene zich slechts van aansprakelijkheid bevrijden door aan te tonen dat de schade is veroorzaakt door overmacht of door eigen schuld van de benadeelde. Het feit dat hij zelf geen schuld had aan het ontstaan van de schade is daartoe niet voldoende. Men acht de risicoleer o.a. neergelegd in de artt. 6:169 lid 1, 6:170-179 en 6:185 e.v. BW en in art. 185 van de Wegenverkeerswet.
Volgens art. 6:162 BW kan aansprakelijkheid ook in het spel zijn indien de gevolgen van een onrechtmatige daad aan iemand dienen te worden toegerekend door een oorzaak die krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komen, dus los van schuld.